Aktuelles

De Bewijs-Vo en het principe van de statelijke soevereiniteit

De Bewijs-Vo en het principe van de statelijke soevereiniteit

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout velde op 6 maart 2008 een opmerkelijk vonnis in verband met de toepassing van de Europese Verordening nr. 1206/2001 van de Raad van 25 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (hierna: Bewijs-Vo).

De feiten kunnen kort als volgt samengevat worden: tussen partijen X en Y was een geschil aanhangig voor de Duitse rechtbanken. Op een bepaald moment stelde partij X voor de Duitse rechter bereid te zijn vrijwillig boekhoudkundige stukken voor te leggen. Naar Duits recht nam de Duitse rechter deze verklaring op in een zogenaamd 'Anerkenntnisurteil'.

Intussen verzuurde de relatie tussen partijen X en Y verder door verschillende procedures en bleek partij X niet meer van zinnens zijn verklaring nog na te komen, hoewel dit ingaat tegen het Duitse recht.

Partij Y vroeg en kreeg een exequatur met betrekking tot dit 'Anerkenntnisurteil', waarop partij X in verzet ging en de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout op 6 maart 2008 een oordeel over velde.

Partij X wierp immers op dat nu partij X niet meer vrijwillig wenste over te gaan tot de voorlegging van de stukken, het 'Anerkenntnisurteil' een dwangmaatregel betrof, waarvoor men de geëigende procedure uit de Bewijs-Vo had moeten volgen. Het verleende exequatur verschafte aan de Duitse rechter de mogelijkheid om rechtstreeks bewijs te verkrijgen in een andere lidstaat en ging daarmee in tegen de statelijke soevereiniteit. Aangezien deze laatste van openbare orde is, diende het exequatur geweigerd te worden daar art. 34 van de Brussel I-Vo in de openbare orde een weigeringsgrond tot erkenning voorziet.

De rechter volgde deze redenering en stelde dat nu partij X de stukken niet meer vrijwillig wil overleggen, er sprake is van een dwangmaatregel. Bijgevolg schendt het exequatur de statelijke soevereiniteit en dus de openbare orde, waarna de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout de vernietiging van het exequatur beval.

Naar onze mening roept dit vonnis verschillende vragen op:

  1. Schendt de rechter niet zelf de statelijke soevereiniteit door een uitspraak van een Duitse rechter te toetsen? Hierbij dient opgemerkt te worden dat de rechtsfiguur van 'Anerkenntnisurteil' in Belgisch recht vreemd is;
  2. Mag de rechter wel inhoudelijk de beslissing van de Duitse rechter toetsen om de weigeringsgrond van internationale openbare orde in te roepen?
  3. Gaat de rechter niet met dit oordeel in tegen het arrest van het Europees Hof van Justitie dd. 11.05.2000 inzake Renault vs. Maxicar waar geoordeeld werd dat een erkenning niet geweigerd kan worden omdat het gemeenschapsrecht verkeerdelijk werd toegepast?;
  4. Tot slot dient te vraag gesteld worden of de Belgische rechter hiermee geen juridisch vacuüm heeft gecreëerd. De Duitse rechter heeft immers beslist dat de procedure uit de Bewijs-Vo niet gevolgd dient te worden. De Belgische rechter meent van wel en weigert de erkenning.

Ga terug